De rapakivigebieden in Zweden en Finland vormen geïsoleerde granietlichamen temidden van het oudere Precambrische grondgebergte. De rapakivivoorkomens zijn zo groot dat men sommige als batholieten beschouwt, hoewel hier wel iets op af te dingen valt.
De vorming van de massieven vond hoogstwaarschijnlijk plaats door
een aantal opeenvolgende magma-intrusies op een relatief hoog niveau in de aardkorst.
Hierbij zijn grote delen van het bedekkende aardkorstgesteente dat
voornamelijk uit gneis bestond door rekverschijnselen weggezakt. In deze
instortingscaldera’s vormde opstijgend magma min of meer horizontale,
plaatvormige intrusielichamen, die na verloop van tijd tot
rapakivigraniet kristalliseerden. Dit mechanisme heeft zich in de
centrale delen van de grotere rapakivimassieven meer dan eens
herhaald.
Hoewel de gesteenten in de rapakivimassieven vrijwel allemaal van granietische samenstelling zijn, zijn
deze zeker niet overal gelijk, integendeel. Er is sprake van een hoofdtype
dat de grote massa van het massief vormt, met daarnaast een aantal
typen met een afwijkende structuur. Dit kunnen porfierische
biotietgranieten zijn, middelkorrelige en gelijkkorrelige
rapakivigranieten en porfieraplieten en zelfs rapakivi's die er uit zien als vulkanieten.
Binnen deze ondersoorten zijn ook weer een aantal varianten te
onderscheiden. Het zijn weliswaar allemaal rapakivi’s, maar ze
wijken nogal van het hoofdtype af en ook onderling zijn de
structuurverschillen soms aanzienlijk. De variatie onder
rapakivigesteenten maakt het voor verzamelaars, zeker in het
begin, moeilijk om een kristallijne, roodachtige zwerfsteen als
rapakivi te herkennen.
Duidelijk is dat het hoofdtype in alle rapakivimassieven het oudst
is, dus het eerst is ontstaan. De andere variëteiten zijn jonger.
Ze wijken door hun korreling en structuur dusdanig van het
hoofdtype af, dat ze makkelijk van deze zijn te onderscheiden.
Ze vormen met hun scherpe overgangen, intrusielichamen van
verschillende grootte en vorm binnen het eigenlijke rapakivimassief.
Afwijkende rapakivitypen met een vergelijkbaar uiterlijk komen voor
in alle grotere rapakivimassieven. De gelijkenis gaat soms zo
ver dat het onmogelijk is de gesteenten uit sommige massieven
van elkaar te onderscheiden. Voor de zwerfsteenverzamelaar is
deze wetenschap voornamelijk van academische waarde. Onze
zwerfstenen zijn in overgrote meerderheid afkomstig van het
rapakivigebied van Åland en van het nabijgelegen massief
van Kökar. De kans op het vinden van een rapakivigraniet uit een
massief op het Finse vasteland of in Zeden is in verhouding minder groot.
De scherpe overgangen tussen elkaar begrenzende rapakivigesteenten
zijn een bewijs dat de kristallisatie van het magma binnen het rapakivimassief niet
alleen lange tijd heeft geduurd, maar ook dat de vorming ervan
in fasen is verlopen. De latere intrusies vonden plaats toen
de hoofdmassa al vast geworden was.
Soms volgden de magma-intrusies elkaar zo snel op dat het
vastworden van de ene intrusie nog niet voltooid was, toen de volgende
intrudeerde. In de massieven komen rapakivigranieten naast elkaar
voor die heel geleidelijk in elkaar over gaan. Dit is o.m. het geval
bij de Prickgraniet in het Vehmaa-massief in Zuidwest-Finland.
Deze rapakivigraniet met zijn karakteristieke zwarte biotietspikkels gaat
zonder merkbare overgang over in de gewone porfierapliet, doordat
de biotietvlekjes verdwijnen. Beide varianten zijn blijkbaar kort na
elkaar ontstaan, ondat ze op de grensvlakken niet van elkaar te
scheiden zijn.
![]() |
![]() |
Porfieraplietische rapakivigraniet (Prickgraniet) - Zwerfsteen van Emmerschans (Dr.). | Porfieraplietische rapakivigraniet van Laitila - Zwerfsteen van Neuenkirchen (Dld.). |
Het contact van het rapakivimagma met het omgevende gesteente
heeft op talrijke plaatsen ook geleid tot afwijkende structuurtypen.
De lagere temperatuur van het omringende grondgebergte bracht
een soort ‘chill-effect’ teweeg. Als gevolg daarvan is de rapakivigraniet in
de randzones vaak ontwikkeld als een porfierische graniet waarin
ovoïden ontbreken.
![]() |
![]() |
Porfierische biotietrapakivigraniet (pyterliet) - Zwerfsteen van Sellingerbeetse (Gr.). | Porfierische rapakivigraniet van Laitila - Zwerfsteen van Ellertshaar (Dr.). |
De afkoelingseffecten langs contactzones leidden in sommige
gevallen tot de vorming van granietporfieren en hier en daar
zelfs tot kwartsporfieren. Deze laatste hebben weliswaar het
uiterlijk van echte vulkanieten, maar zijn subvulkanisch ontstaan.
Alandgranietporfier en Alandkwartsporfier zijn hiervan goede
voorbeelden.
![]() |
![]() |
Alandgranietporfier - Zwerfsteen van Kasseedorf (Dld.). | Alandkwartsporfier - Zwerfsteen van Groningen. |
Op een aantal plaatsen lijkt sprake geweest van vulkanisme, waarbij
rhyolieten en rhyolitische ignimbrieten zijn ontstaan, al is dit bepaald niet zeker. Zo is op Aland, op het eiland Blaklobben een
zeer klein voorkomen bekend waar een ignimbriet-achtige rapakivi als sliertige
kwartsporfier ontwikkeld is. Het chocoladebruine tot bruin-rode
gesteente is aan zijn talloze ronde kwartsen makkelijk als
Alandkwartsporfier te herkennen. In de dichte grondmassa zijn
talrijke lichter getinte slierten, vlekken en vegen aanwezig. Deze doen aan fiamme van echte ignimbrieten denken.
Hoewel deze kwartsporfier aan een ignimbriet, dus aan een vulkaniet, doet denken, is dit laatste hoogstwaarschijnlijk niet het geval. De typische structuur met strepen, vlekken en langwerpige vegen, zal eerder ontstaan zijn als gevolg van magmatische stroming.
Ook op het eiland Hogland in de Finse Golf komen een paar
kwartsporfirische rapakivi’s voor. Deze varianten zijn van
vulkanische oorsprong. Het vulkanisme op Hogland was verbonden
met het grote rapakivigebied van Viborg in Zuid-Finland. Tenslotte is het bekende zwerfsteentype rode Oostzeekwartsporfier onbetwist van vulkanische oorsprong. Het gesteente is veelal als een typische ignimbriet of een vulkanische breccie ontwikkeld. Het voorkomen van deze porfier op de Oostzeebodem zuidoostelijk van Aland, is gekoppeld aan de Noordbaltische rapakiviplutoon. Het is jammer genoeg onmogelijk gesteenten hiervan te bemonsteren, aangezien deze nergens boven water uitsteken. Dat uit het Noordbaltische rapakivigebied zwerfstenen in ons land voorkomen, wordt inmiddels vrij algemeen aangenomen. Bepaalde rapakivigranieten en ook bruine baltische kwartsporfier zijn samen met rode Oostzeeporfier waarschijnlijk afkomstig van dit massief.
Duidelijk is dat het rapakivimagmatisme met zijn opeenvolgende
intrusies vooral bij de grotere massieven lange tijd in beslag
heeft genomen, waarschijnlijk miljoenen jaren. Hierbij is een
groot aantal rapakivigesteenten ontstaan die qua uiterlijk en soms ook in
mineralogische samenstelling aanzienlijk van elkaar verschillen.